De hulp die een BSM-therapeut biedt heeft betrekking op twee gebieden, het lichamelijke en het didactische.
De oefeningen die het kind gaat doen, zijn erop gericht invloed uit te oefenen op het lichamelijk functioneren.
Het hulponderwijs is erop gericht, de leerstof zo aan te bieden, dat het kind deze goed op kan nemen. Veel
andere therapieën voor lees- en leerproblemen zijn gericht op de cognitie (kennisverwerving), op die manier
kun je soms een eind komen maar het blijft een hulpmiddel en het kost evenredig veel moeite voor iemand
met een waarnemingsdefect. Verbeter je de basis, namelijk de waarneming zelf, dan zal het leervermogen vanzelf verbeteren.
De menselijk
hersenactiviteit is oa. afhankelijk van de mate waarin stimulerende impulsen het brein kunnen bereiken. Deze impulsen worden
mee opgewekt in sensoren die voorkomen in de weefsels van spieren, pezen gewrichtskapsels, huid en evenwichtsorganen. De
oefeningen die behoren bij de methode hebben tot doel deze sensoren te prikkelen. Door bepaalde oefeningen te doen, worden
de daarvoor verantwoordelijke hersengebieden in werking gezet. Zij krijgen prikkels via de aanvoerende zenuwbanen. Daardoor
wordt de hele elektrisch-chemische huishouding in het hoofd gestimuleerd. Door herhaling van de oefening wordt een betere
prikkeloverdracht op gang gebracht. De oefeningen hebben het vermogen zowel te remmen als te activeren. Daarom moeten de
oefeningen zo voorgeschreven worden dat het bedoelde effect en niet het omgekeerde effect bereikt wordt.
De therapie omvat een programma van bewegingsoefeningen die per kind verschillen. De soort en het aantal
worden pas voorgeschreven wanneer er is vastgesteld wat de specifieke oorzaak van het probleem is. De oefeningen moeten over
het algemeen één maal per dag worden uitgevoerd, onder begeleiding van één der ouders. Er wordt meestal één rustdag voorgeschreven.
We streven ernaar de oefeningen niet langer te laten duren dan 30 minuten per dag. Bovendien wordt de ouders dikwijls aangeraden
op een speciale manier met het kind te lezen of te rekenen. Deze speciale "remedial teaching" wordt door de therapeut aan de
ouders uitgelegd.
Na de eerste sessie wordt het oefenprogramma voor de eerstkomende weken vastgesteld en ingestudeerd. Er
wordt scherp op gelet dat de hersenen van het kind noch over- noch onderbelast worden. In beide gevallen zullen de resultaten
niet optimaal zijn. Vervolgens wordt telefonisch nauwgezet de vinger aan de pols gehouden (gewoonlijk om de drie weken). De
motorische oefeningen worden afhankelijk van de reactie uitgebreid of bijgesteld. De begeleiding duurt tot het probleem tot
genoegen der ouders is opgelost, dan wel tot de maximaal mogelijke verbetering is bereikt. Het oplossen van het gesignaleerde
probleem vergt enige tijd. Afhankelijk van de grootte van het probleem bedraagt de gemiddelde totale oefentijd ongeveer een jaar.